Een leeromgeving op de grens van school en beroepspraktijk: hoe werkt dat?

Erica Bouw
Een leeromgeving op de grens van school en beroepspraktijk: hoe werkt dat? Om de kneepjes van het vak te leren, is het belangrijk dat studenten al tijdens de studie kennismaken met de beroepspraktijk. Je kunt het onderwijs en het werkveld op verschillende manieren samenbrengen en zo een verrijking van de leeromgeving creëren. In januari 2024 startte een consortium van vijf onderwijsinstellingen een onderzoek naar de succesfactoren van responsieve leeromgevingen die in co-constructie met de beroepspraktijk zijn opgezet. “We gaan met onze partners vijf bestaande leeromgevingen onderzoeken en willen weten hoe die co-constructies werken", aldus onderzoeker Erica Bouw.

In juni 2021 promoveerde HU-onderzoeker en docent Erica Bouw met een promotieonderzoek naar het ontwerpen van leeromgevingen op de grens van 'school’ en ‘werk’. Nu is zij namens het Lectoraat Beroepsonderwijs van Hogeschool Utrecht projectleider van het project 'Co-constructie van responsieve leeromgevingen in het beroepsonderwijs', dat in november een SIA RAAK-PRO subsidie toegekend kreeg. Deze subsidie is speciaal bedoeld om een impuls te geven aan de samenwerking tussen verschillende onderwijsinstellingen en partners in het werkveld. Voor dit project is een consortium gevormd met drie mbo’s (MBO Amersfoort, mboRijnland en Landstede MBO) en twee hbo’s (Hogeschool Utrecht en Fontys Hogescholen) die elk hun eigen netwerk van praktijkpartners meebrengen in de samenwerking. 

Bouw is enthousiast over de samenwerking: “Er is bij de afzonderlijke partners al veel onderzoek gedaan naar leeromgevingen, maar we gaan die kennis nu voor het eerst bundelen en vergelijken. Hoe zet je een leeromgeving in co-constructie op? En hoe maak je de leeromgeving ‘responsief’, zodat deze meebeweegt met veranderingen in de maatschappij, het beroep en de studentenpopulatie? We horen vaak dat het leren in zogenaamde ‘hybride’ leeromgevingen op de grens van school en werk succesvol is, maar we hebben eigenlijk weinig data over de impact van die leeromgevingen en wat daarbij de succesfactoren zijn. In dit project neemt iedere partner een eigen bestaande casus van een leeromgeving mee in het onderzoek. Dat geeft ons de mogelijkheid om als het ware met vreemde ogen weer naar zo’n leeromgeving te kijken. Je bent soms toch blind voor je eigen succes of verbeterpunten.”

HU-casus: DURF!

In het project staan vijf leeromgevingen centraal als casus. Een van die leeromgevingen is het HU-project DURF!. “DURF! richtte zich de eerste jaren vooral op jongerenparticipatie. In overleg met het werkveld is een koerswijziging gemaakt. Nu richt het zich veel meer op preventieve gezondheid bij jongeren. Daar zijn verschillende partners bij betrokken, waaronder de gemeente Utrecht, jongerenwerkers, culturele instellingen en studenten van verschillende opleidingen”, legt Bouw uit. In 2018 won DURF! de RABO Stimuleringsprijsvraag. Daarnaast was het genomineerd voor meest innovatieve onderwijsproject van Hogeschool Utrecht. Een goed voorbeeld van een rijke leeromgeving die in co-constructie met het werkveld is opgezet en de tand des tijds heeft doorstaan. Het onderzoek van Bouw richt zich op de mogelijke succesfactoren. 

“Precies”, zegt Bouw. “En wat maakt dat deze leeromgeving zo is gegroeid en kan meebewegen? Kunnen we succesfactoren destilleren uit de aanpak van deze leeromgeving en daaruit tools ontwikkelen die ons helpen andere leeromgevingen ook succesvol te maken? Een van uitdagingen bij het ontwerpen van rijke leeromgevingen is bijvoorbeeld de schuring tussen het werken vanuit een maatschappelijk vraagstuk en toetsingseisen vanuit het onderwijs. Hoe kunnen we de opdracht zo vormgeven deze twee aspecten elkaar niet belemmeren? Want het leren voor een beroep gaat over veel meer dan alleen een cijfer, een toets of een vinkje. Daar moet je rekening mee houden bij het ontwerpen en uitvoeren van die leeromgeving, zodat er ruimte ontstaat voor ‘leerverrassingen’.”

Waardecreatie

Een ander aspect van het onderzoek richt zich op de meerwaarde die betrokkenen ervaren. Naast studenten en professionals kunnen dat bijvoorbeeld ook burgers zijn, zoals wijkbewoners, patiënten of andere ‘eindgebruikers’ van een dienst. “We vermoeden dat met het samenbrengen van studenten en professionals in een leeromgeving we niet alleen het leerproces voor de studenten verrijken, maar ook bijdragen aan de ontwikkeling van professionals en andere betrokkenen. Het is een kruisbestuiving tussen studenten, docenten, burgers en professionals. Een van de vragen in het onderzoek draait om welke waarde de leeromgeving creëert voor de verschillende stakeholders. Wat doet het met je als professional om met studenten en docenten van verschillende opleidingen samen te werken? Wat levert het de betrokken organisatie op? En de burgers of eindgebruikers? Dat willen we met elkaar in kaart brengen.”

Onderzoeksinstrumenten

Maar hoe maak je zichtbaar wat iemand leert? En hoe vergelijk je de verschillende leeromgevingen met elkaar? In de eerste fase van het onderzoek – dat vier jaar duurt – richten de onderzoekers zich op het ontwikkelen van een instrumentarium. Bouw legt uit: “We ontwikkelen eigenlijk een gedeelde taal, zodat we elkaar begrijpen, vergelijkbare vragen stellen en weten waar we naar moeten kijken als we een leeromgeving bezoeken. Onderdeel van het instrumentarium zijn waarschijnlijk gespreksinstrumenten en reflectietools om goed te kunnen vergelijken en eventuele verbeterkansen in beeld te brengen. Het is belangrijk dat die niet alleen voor ons als onderzoekers betekenis hebben, maar ook voor studenten en partners te begrijpen zijn. We verwachten dit instrumentarium deze zomer op te leveren. Dat is een mooie eerste stap om als consortium de succesfactoren voor complexe samenwerkingen in beeld te brengen.”

Wil je meer weten?

Op de projectpagina van het onderzoek blijf je op de hoogte van tussentijdse resultaten, inzichten en producten.

Deel dit artikel

Gerelateerde expertise