Sport is goed voor kinderen, juist als ze een ziekte of beperking hebben

Sporten is gezond, dat is bekend en veelvuldig onderzocht. Maar welk effect heeft sportparticipatie op de lichamelijke en geestelijke gezondheid van kinderen met een chronische ziekte of beperking? Kristel Lankhorst promoveerde 20 november op een onderzoek naar deze vraag. “Kinderen kunnen veel meer dan hun ouders, coaches en zorgverleners denken.”

Kinderen met een chronische aandoening of een fysieke beperking sporten veel minder dan kinderen die dat niet hebben. “Ouders denken vaak dat hun kind kwetsbaar is vanwege de chronische ziekte”, zegt Kristel Lankhorst. “Kinderen doen niet aan georganiseerde sportbeoefening omdat ouders hun kind niet bloot willen stellen aan het risico op een blessure.” Maar zijn kinderen uit deze doelgroep wel kwetsbaarder? Welke voordelen heeft geregelde sportbeoefening voor deze kinderen? En welke afweging is er dus te maken tussen de risico’s en de gezondheidsvoordelen? Vijf jaar geleden kreeg Lankhorst als hogeschooldocent master Sport Fysiotherapie de mogelijkheid om onderzoek te doen naar deze vragen. Het onderzoek werd uitgevoerd in samenwerking met het Wilhelmina Kinderziekenhuis, het UMCU en de HU, gesubsidieerd door ZonMW en SIA Raak.

“We hebben gekeken naar kinderen met een chronische ziekte of fysieke beperking. Binnen deze doelgroep vergeleken we kinderen die minstens twee keer per week sporten bij een sportvereniging met kinderen die niet sporten of 1 keer per week.” Om te beginnen ging Lankhorst op zoek naar een activiteitenmonitor voor kinderen die ook valide en betrouwbare meetgegevens oplevert voor kinderen met een loopbeperking. Vervolgens deed zij met haar team metingen bij 163 kinderen. Onderzocht werden hun fysieke fitheid, cardiovasculaire gezondheid, dagelijkse activiteit, psychosociale gezondheid en blessures en ziekte.

Aanzienlijke verschillen

De meetresultaten laten aanzienlijke verschillen zien tussen kinderen uit de doelgroep die niet sporten of eenmaal per week en zij die twee keer per week of vaker deelnemen aan georganiseerd sporten. “Sportende kinderen hebben onder meer een groter uithoudingsvermogen, springen beter en hebben een lager vetpercentage”, zegt Lankhorst. Opvallend is wel dat er weinig verschil was tussen sporten en niet-sporten waar het aankomt op arteriële stijfheid. “Dat is een indicator voor hoe snel het bloed door de aderen stroomt en met welk volume”, zegt Lankhorst. “Een bepaalde mate van arteriële stijfheid is een indicator voor latere kans op hart- en vaatziekten. We zagen een duidelijk verband tussen arteriële stijfheid en omvang van het middel. Gecorrigeerd voor leeftijd en lengte geeft een middelomtrek van 73 centimeter of meer een verhoogde kans op hart- en vaatziekten. Onder onze deelnemers, kinderen van tien tot achttien jaar, zagen we al risicofactoren. Er moet dus iets gebeuren. Er zijn interventies nodig om de lichaamssamenstelling te verbeteren.”

"Deze kinderen zijn heel goed in staat om zelf hun grenzen aan te geven"

'Sporten moet'

Dat is dan ook de boodschap van het promotieonderzoek van Lankhorst: sporten moet. Het is goed voor kinderen met een chronische ziekte of fysieke beperking – zeker omdat deze groep door de bank genomen minder beweegt dan hun leeftijdsgenootjes zonder beperking. “Deze kinderen zijn net zo goed te trainen als kinderen zonder ziekte of beperking. Het risico op blessures is niet groter of kleiner voor deze groep. Bovendien zijn ze heel goed in staat om zelf hun grenzen aan te geven.” Lankhorst ziet een belangrijke taak voor zorgprofessionals, namelijk om ouders te informeren over de mogelijkheden om te sporten en de gezondheidsvoordelen ervan. “Zij kunnen de angst voor blessures wegnemen. Zo’n boodschap wordt makkelijker opgepikt als de dokter het zegt.” Daarnaast is het zaak dat ook trainers en coaches bij sportverenigingen worden geïnformeerd. “We zien dat zij het lastig vinden om kinderen met een beperking mee te laten doen binnen het reguliere aanbod. Ze weten niet zo goed wat het effect is van een aandoening op de inzetbaarheid. Het is zaak dat sportverenigingen meer vertrouwen krijgen in deze kinderen, en in het feit dat ze zelf hun grenzen kunnen aangeven. Als er al beperkingen zijn, zijn die wel bekend bij ouders en zorgprofessionals. Er is dus een goede overdracht van kennis nodig, zowel op individueel niveau als op het niveau van de bonden en verenigingen. Het zou heel mooi zijn als mijn promotieonderzoek bijdraagt aan meer mogelijkheden om te sporten bij reguliere verenigingen voor kinderen met een fysieke beperking of chronische ziekte.” 

Meehelpen

Lankhorst sluit niet uit dat ze zich daar zelf in de toekomst ook op zal toeleggen. “Ik vind onderwijs geven heel leuk, maar ik wil me daarnaast ook kijken of ik kan meehelpen implementeren wat ik heb gevonden. Misschien in beleids- of adviesrollen, misschien in een meer creatieve rol. Ook vind ik onderzoek doen heel leuk. Daar ga ik me de eerste maanden na mijn promotie maar eens op bezinnen.”

Kristel Lankhorst promoveerde op 20 november aan de Universiteit Utrecht. Haar promotor is prof. dr. F.J.G. Backx (Universiteit Utrecht). Co-promotoren zijn dr. Janke de Groot (HU) en dr. Tim Takken (WKZ). Haar proefschrift is getiteld ‘The impact of (adpated) organized sports participation on health in youth with a chronic disease or physical disability’.

Deel dit artikel