Hulpverleners

 

In de omgang met dove en slechthorende cliënten is het belangrijk om te weten, dat de hulpverlener “gewoon” zijn werk kan doen.  Hoewel de communicatie niet vanzelfsprekend is, willen de meeste cliënten dezelfde informatie krijgen als horende cliënten, dus niet ingekort of onvolledig. Dit gebeurt echter helaas nog veel te vaak.


In het gesprek, dat vaak wat trager verloopt dan met horenden, vallen soms ook wel de woorden ‘Laat maar’ of  ‘Oh, dat is niet zo belangrijk’  - maar dit zijn geen termen die gebruikt zouden moeten worden door hulpverleners. Het komt vaak voor dat hulpverleners onderling spreken of met andere horende aanwezigen, zonder rekening te houden met de doofheid of slechthorendheid van de cliënt.
Als deze dan vraagt om herhaling van iets dat gezegd is, wordt hierop geantwoord: ‘Oh ik zei even iets tegen hem, is niet zo belangrijk’ zonder dat dan  dus verteld wordt wat er gezegd was. Dit getuigt van weinig respect en kan als zeer kwetsend ervaren worden door de cliënt.  


Het is uiterst belangrijk om meer aandacht te geven aan de communicatiebehoeften en –mogelijkheden van dove en slechthorende cliënten. Juist omdat hulpverleners vaak onbewust onbekwaam zijn: ze zijn zich er niet van bewust dat er een extra inspanning vereist wordt, of een aanpassing in hun communicatieve gedrag. De communicatieregels zijn anders, en dienen soms expliciet even besproken te worden.

Veel hulpverleners hebben de gedachte ‘als het hoortoestel maar aanstaat, dan kan mevrouw of meneer mij wel goed verstaan, ook als ik met mijn rug naar ze toe zit of sta, of even rondloop’.
Een hoortoestel is een hulpmiddel, net als een bril, maar heeft zeker niet dezelfde uitwerking. Het maakt lang niet altijd de drager ervan goedhorend, zoals een bril iemand goedziend maakt.

Daarnaast wordt er vaak te makkelijk gedacht over spraakafzien. Spraakafzien (of liplezen)  is een visuele ondersteuning bij het begrijpen van gesproken taal. Het is goed om te vermelden, dat slechts zo’n 30 % van de klanken of woorden afgelezen kunnen worden door een goed geconcentreerde dove/slechthorende, en dat dan nog als de randvoorwaarden gunstig zijn.


Voor tips over de communicatie met doven/slechthorenden, zie de volgende pagina.

 

Communicatie m.b.v. een tolk
Als de communicatie plaatsvindt met behulp van een tolk, zijn er weer andere regels om rekening mee te houden.

Namelijk:

- Praat tegen de cliënt, niet tegen de tolk
- Betrek de tolk niet als gesprekspartner bij het gesprek
- De tolk kan het beste naast de hulpverlener zitten, zodat de cliënt zowel de tolk als de hulpverlener kan zien
- Vraag door of de cliënt eventuele medische termen of een diagnose inderdaad begrepen heeft
- Als u nog niet eerder met een tolk gewerkt heeft, vraag dan advies aan de cliënt


Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.

Sluiten